IMG_1717-small.jpg


 

 



Omdat we nog steeds niet kunnen samenkomen in de  kerk, heeft het groepje dat de viering deze zondag zou verzorgen toch voor een bijdrage gezorgd! Dankjewel aan het groepje en veel leesplezier aan jullie allemaal... Nog even volhouden!

Tekst eerste lezing: Handelingen 2, 14.22-33

Op de dag van Pinksteren trad Petrus naar voren met de elf en verhief zijn stem om het woord tot de menigte te richten:
"Gij allen, Joodse mannen en bewoners van Jeruzalem,weet dit wel en luistert aandachtig naar mijn woorden.
Jezus de Nazoreeër was een man wiens zending tot u van Godswege bekrachtigd is.
Gij kent immers zelf de machtige daden, wonderen en tekenen, die God door Hem onder u heeft verricht:
Hem, die volgens Gods vastgestelde raadsbesluit en voorkennis is uitgeleverd, hebt gij door de hand van goddelozen aan het kruis genageld en gedood.
Maar God heeft Hem ten leven opgewekt na de strikken van de dood te hebben ontbonden;
want het was onmogelijk dat Hij daardoor werd vastgehouden.
Doelend op Hem toch zegt David:
De Heer had ik voor ogen, altijd door, Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet zou wankelen;
daarom is er blijdschap in mijn hart en jubelt mijn mond van vreugde;
ja, ook mijn lichaam zal rust vinden in hoop, omdat Gij mijn ziel niet zult overlaten aan het dodenrijk en uw heilige geen bederf zult laten zien.
Wegen ten leven hebt Gij mij doen kennen. Gij zult mij met vreugde vervullen voor uw aanschijn.
Mannen, broeders, ik mag wel vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David dat hij gestorven en begraven is;
we hebben immers zijn graf bij ons tot op deze dag.
Welnu, omdat hij een profeet was, en wist, dat God hem een eed gezworen had dat Hij een van zijn nakomelingen op zijn troon zou doen zetelen,
zei hij met een blik in de toekomst over de verrijzenis van Christus, dat Hij niet is overgelaten aan het dodenrijk en dat zijn lichaam het bederf niet heeft gezien.
Deze Jezus heeft God doen verrijzen. En daarvan zijn wij allen getuigen."

Tekst evangelie: Lucas 24, 13-35 

In die tijd waren er twee van de leerlingen van Jezus op weg naar een dorp dat Emmaüs heette en dat ruim elf kilometer van Jeruzalem lag.
Zij spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen.
Terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf op hen toe en Hij liep met hen mee.
Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen.
Hij vroeg hun: "Wat is dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?"
Met een bedrukt gezicht bleven ze staan.
Een van hen, die Kléopas heette, nam het woord en sprak tot Hem: "Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?"
Hij vroeg hun: "Wat dan?"
Ze antwoordden Hem: "Dat met Jezus de Nazarener, een man die profeet was, machtig in daad en woord in het oog van God en van heel het volk;
hoe onze hogepriesters en overheidspersonen Hem hebben overgeleverd om Hem ter dood te laten veroordelen en hoe zij Hem aan het kruis hebben geslagen.
En wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!
Maar met dit al is het reeds de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn.
Wel hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht; ze waren in de vroegte naar het graf geweest, maar hadden zijn lichaam niet gevonden, en ze kwamen zeggen dat zij ook nog een verschijning van engelen hadden gehad, die verklaarden dat Hij weer leefde.
Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan en bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden, maar Hem zagen ze niet."
Nu sprak Hij tot hen: "O onverstandigen, die zo traag van hart zijt in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben!
Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?"
Beginnend met Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten wat in al de Schriften op Hem betrekking had.
Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen, maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan.
Zij drongen bij Hem aan: "Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde."
Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven. Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte het hun toe.
Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht.
Toen zeiden ze tot elkaar: "Brandde ons hart niet in ons, zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?"
Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug. Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen.
Dezen verklaarden: "De Heer is werkelijk verrezen, Hij is aan Simon verschenen."
En zij van hun kant vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het brood.

 

Emmaüs

Ze waren (nochtans) met zijn tweeën,
maar ze voelden zich alleen.
Ze hadden een shock meegemaakt,
hun dromen en verwachtingen,
scherven die ze niet konden lijmen.
Ze stapten in het duister,
geslagen, depressief,
opgesloten in hun innerlijke wereld:
een hoofd vol vragen
en een hart vol droefheid,
ontgoocheling, woede.

Toen voegde een Derde
zich bij hen,
Hij luisterde.
Zij stortten hun hart uit.
Er was contact,
Ze vroegen Hem om nabijheid.
Zij boden Hem hun huis aan en zichzelf.
Hij liet hen niet in de steek,
Hij raakte hun hoofd en hun hart,
de kern van hun wezen.
Ze kregen het er warm van.

Vuur,
dynamisme,
doorstraalde hen.
Ze gaven het verder,
ze zagen weer perspectief.
Ze werden weer heel.
Ontelbare keren
in het leven
ga je van Jeruzalem
naar Emmaüs en
hopelijk gaat Hij
telkens
in mensen
met je mee.
Mia Verbanck

 Plots doorbreekt Hij ook onze dood,

 al wat ons op onszelf gesloten houdt,

 afgesloten

 uitgesloten

 ingewikkeld

 op onszelf geplooid.

 

 Al die plooien vouwt Hij weer open,

 in één eenvoudige vouw,

 één naar buiten geplooide beweging

die nooit ophoudt.

Bert Daelemans sj